Wikia


SMS Prinzregent Luitpold
PL
Type Dreadnought slagschip
Land van herkomst Duitsland
Bouwfirma Germaniawerft, Kiel
Ontwerp
Productie (kiel / te water / in dienst) 1910 / 1912 / 1913
Gebruiker(s) Kaiserliche Marine
Specificatie

Afmetingen (lengte/breedte/diepgang) 172,40 m. / 29 m. / 9,10 m.
Bepantsering Gordel: 80/350 mm, Wanden: 130/300 mm, Batterij: 170 mm, Barbettes en geschutskoepels: 80/300 mm, Commandotoren: 80/350 mm.
Bewapening 10x 30.5 cm SK L/50 kanons, 14x 15 cm SK L/45 kanons, 12x 8.8 cm SK L/45 kanons, 5x 500-mm torpedobuizen.
Vliegtuigen geen
Voortstuwing 2 × Parsons stoomturbines, 14 stoomketels, die 26.000 pk leveren aan 3 schroeven.
Waterverplaatsing Leeg: 24.724 ton, Volbeladen: 27.000 ton.
Snelheid/Bereik 20 km/u / 7900 zeemijlen.
Bemanning 1084, als vlaggenschip: 1178
Einde Op 21 juni 1919 tot zinken gebracht door de eigen bemanning te Scapa Flow.

De derde Duitse klasse met dreadnoughts, volgend op de vier eenheden tellende Nassau klasse en Helgoland klasse, bestond uit de SMS Kaiser, SMS Friedrich der Grosse, SMS Kaiserin, SMS König Albert en SMS Prinzregent luitpold. Deze slagschepen uit de Kaiser klasse verschilden van de vorige Duitse dreadnoughts. Van de schepen waren de eerste twee en laatste drie respectievelijk besteld in het bouwprogramma van 1909/1910 en 1910/1911. Ze werden gebouwd door vijf werven en afgeleverd tussen december 1912 en december 1913. Het voordek liep tot achter de hoofdmast en de ketelruimtes en schoorstenen werden wijd uiteen geplaatst. De opstelling van de grote geschutkoepels, elk met twee 305-mm kanons, werd gewijzigd in één voor, en midscheeps twee koepels, hierdoor ontstond een boordbatterij van tien kanons, omdat de middelste koepels een boog van 120° konden beschrijven ten opzichte van de tegengestelde zijde van het schip. De geschutstellingen konden eerst maximaal 13,5° omhoog worden gericht, later verhoogd tot 16°. De magazijnen lagen onder de munitiekamers. Het tweede geschut bestond uit veertien 150-mm kanons in een batterij op het bovendek. Het derde geschut van acht 88-mm luchtdoelkanons teruggebracht van vijf naar twee.

Het zijpantser was aanzienlijk superieur aan dat van de voorgaande acht Duitse dreadnoughts, de gordel tussen de laatste barbettes was 350 mm dik vanaf het hoofddek, zo'n 1,8 m boven de waterlijn tot 0,35 m eronder, en daarna versmallend tot 180 mm op een diepte van 1,7 m onder de waterlijn. De gordel was 200 mm tussen het hoofd- en bovendek en versmalde tot 80 mm voor en 130 mm achter, behalve bij de Kaiserin en Prinzregent Luitpold, waar de dikte 80 en 150 mm bedroeg. De barbettes waren 220/300 mm dik, versmallend tot 140 mm achter de batterij en bovengordel, en tot 80 mm achter de hoofdgordel. De grote geschutkoepels waren 300 mm dik aan de voorzijde, 250 mm aan de zijkanten, 290 mm aande achterzijde en hadden een dak van 80/110 mm. Het pantserdek was midscheeps 30 mm, 60 mm op het voorschip en 60/120 mm op het achterschip. Tussen de laatste barbettes was het bovendek 25/30 mm dik buiten de batterij, en het voordek was 30 mm dik boven de batterij. De torpedowand was 40 mm dik, behalve bij de Kaiserin en Prinzregent Luitpold, waar hij 50 mm dik was, en bij alle schepen liep de wand door tot het bovendek als een 30 mm dikke splinterwand.

Er waren drie ketelruimtes en drie paar turbines in zes machinekamers, met een vermogen van 23.114 kW ter aandrijving van drie schroeven voor een snelheid van 21 knopen, behalve bij de Prinzregent Luitpold, met twee paar in vier machinekamers. De kolenketels werden gestookt op steenkool, met een voorziening voor bespuiting met teerolie.

De vijf schepen werden beperkt ingezet tijdens de Eerste Wereldoorlog. Tijdens de oorlog werd SMS Prinzregent Luitpold toegewezen aan de 3e Slagschipeskader, samen met haar zusterschepen. Ze vocht tijdens de Zeeslag bij Jutland. Ze vuurde 169 12-inch (305 mm) granaten af naar de Britse vijand en leed zelf geen schade aan haar schip. Na de oorlog verbleven ze allemaal in Scapa Flow, waar ze in juni 1919 door hun bemanning tot zinken werden gebracht, ze werden tussen 1929 en 1937 geborgen en verkocht als schroot.